Wat dacht Jung over systemische opstellingen of is dat
iets van ná zijn tijd?
6 jun
Systemische opstellingen zijn definitief van ná Jung — Bert
Hellinger ontwikkelde zijn methode pas in de jaren '80 en '90. Maar de
verbinding met Jung is inhoudelijk interessant en niet toevallig.
Wat Jung zelf had
Jung werkte niet met opstellingen, maar zijn denken bevat
elementen die er direct op aansluiten:
- Het
collectief onbewuste: het idee dat individuen toegang hebben tot
gedeelde psychische inhouden die verder gaan dan hun persoonlijke
biografie. Dit is conceptueel verwant aan wat opstellingsfacilitatoren
"het morfogenetische veld" of "het wetende veld" noemen
- Actieve
imaginatie: Jung's techniek waarbij je bewust in dialoog treedt met
innerlijke figuren — een solovariant van wat in een opstelling uitgespeeld
wordt in de ruimte
- Complexen
als autonome entiteiten: Jung zag psychische complexen als
quasi-zelfstandige krachten die het gedrag sturen. In een opstelling
worden zulke krachten letterlijk belichaamd door representanten
De Hellinger-Jung verbinding
Hellinger had een brede opleiding — hij werkte met Eric
Berne (transactionele analyse), Virginia Satir (familieopstellingen als
voorloper), en had ook Jungiaanse invloeden. Maar hij ontwikkelde een eigen
metafysisch kader: de Ordnungen des Liebens (orden van de
liefde), met nadruk op loyaliteit, uitsluitingen, en het herstel van
systemische orde. Dat is eerder sociologisch-systemisch dan
psychologisch-diepte.
Waar de spanning zit
Jung zou waarschijnlijk moeite hebben gehad met sommige
Hellinger-aannames — met name de vrij stellige uitspraken over "wat het
systeem wil" en de soms directieve interventies. Jung's grondhouding was
eerder fenomenologisch: observeren wat opkomt, zonder te snel te interpreteren
of voor te schrijven.
Wat wél aansluit bij jouw eigen praktijk
Gezien je ervaring met constellatiewerk en mannenretraites:
de Jungiaanse lijn die het meest aansluit is wellicht die van Arnold
Mindell (proceswerk) — die vertrok vanuit Jung, integreerde
lichaamswerk en veldfenomenen, en bouwde iets dat dichter bij
opstellingsdynamiek ligt dan Jung zelf ooit deed.
Heb je in je eigen constellatie-ervaring dingen meegemaakt
die je Jungiaans zou willen duiden?
Wie was bert hellinger?
6 jun
Bert Hellinger (1925–2019) was een Duitse therapeut en
filosoof, en de grondlegger van de systemische opstellingen zoals we die
vandaag kennen.
Biografie in grote lijnen
Hij groeide op als katholiek in nazi-Duitsland, weigerde lid
te worden van de Hitlerjugend, en belandde als soldaat aan het front — een
ervaring die hem diep markeerde. Na de oorlog trad hij in bij de Missionarissen
van het Heilig Hart, werd priester, en werkte zeventien jaar als missionaris in
Zululand (Zuid-Afrika).
Die Afrika-periode was cruciaal. Hij leerde Zulu, leefde in
de gemeenschap, en raakte diep onder de indruk van de manier waarop de Zulu
omgingen met voorouders, groepsorde, en collectieve schuld. Later zei hij dat
dit zijn denken over families en systemen fundamenteel had gevormd.
In de jaren '60 verliet hij het priesterschap, trouwde, en
stortte zich op therapie-opleidingen — psychoanalyse, transactionele analyse,
primal therapy, en het familieopstellingswerk van Virginia Satir.
Zijn kernidee
Families en grotere systemen worden volgens Hellinger
geregeerd door onzichtbare orden — loyaliteiten,
uitsluitingen, onverwerkte trauma's die generaties lang doorwerken. Wie in een
familie werd uitgesloten (een kind dat stierf, een voorouder die iets
beschamends deed) wordt onbewust "vertegenwoordigd" door latere
generaties — via gedragspatronen, ziektes, of levensthema's.
De opstelling maakt dit zichtbaar door representanten in de
ruimte te plaatsen, die zonder kennis van het systeem toch accurate informatie
lijken te geven — het zogenaamde wetende veld.
De controverse
Hellinger was een productief en charismatisch figuur, maar
ook een uiterst omstreden één. Kritieken:
- Zijn
latere werk werd steeds autoritairder en messiaans van toon
- Hij
deed uitspraken over Holocaust-slachtoffers die als revisionistisch werden
ervaren
- Zijn
visie op vrouwen, homoseksualiteit, en slachtoffers van misbruik was soms
ronduit problematisch
- De
methodologie mist empirische onderbouwing
Veel serieuze opstellingsfacilitatoren hebben zich dan ook
expliciet gedistantieerd van Hellinger-de-persoon, terwijl ze de methode verder
ontwikkelen — denk aan Jan Jacob Stam, Judith Hemming,
of in de meer wetenschappelijke hoek Peter Levine (die bruggen
legt naar traumatheorie).
Kort samengevat
Een fascinerend en contradictorisch figuur: iemand wiens
levenspad — priester, missionaris, therapeut, filosoof — hem toegang gaf tot
inzichten die hij ook misbruikte. De methode heeft een eigen leven gekregen dat
zijn schepper ruimschoots heeft overleefd.
En wie was Virginia Satir?
6 jun
Virginia Satir (1916–1988) was een Amerikaanse
psychotherapeute die algemeen wordt beschouwd als een van de grondleggers van
de gezinstherapie — en voor velen de meest invloedrijke.
Biografie
Ze groeide op in een moeilijk gezin in Wisconsin, met een
alcoholische vader en een dominante moeder. Op vijf jaar besloot ze al
"detective van volwassenen" te worden — begrijpen waarom mensen doen
wat ze doen. Die nieuwsgierigheid bleef haar hele leven haar motor.
Ze studeerde sociaal werk, werkte aanvankelijk als lerares,
en begon in de jaren '50 gezinnen te begeleiden — op een moment dat therapie
uitsluitend individueel was. Haar centrale observatie was simpel maar
radicaal: je kunt een individu niet begrijpen zonder zijn gezinssysteem
te begrijpen.
Haar kernbijdragen
Ze ontwikkelde wat ze conjoint family therapy noemde
— alle gezinsleden samen in de kamer, zodat de interactiepatronen zichtbaar
worden. Dit klinkt vandaag vanzelfsprekend, maar was in de jaren '50
revolutionair.
Haar bekendste concept is het communicatiemodel:
onder stress vallen mensen terug op vier disfunctionele patronen:
- De placater (altijd
plooien, nooit eigen behoeften)
- De blamer (anderen
beschuldigen)
- De superredelijke (hyper-rationeel,
emotieloos)
- De irrelevante (afleiden,
clownesk)
Gezonde communicatie vereist congruentie —
alignment tussen wat je voelt, wat je zegt, en hoe je het zegt.
Ze werkte ook veel met familieopstellingen als
sculpting — gezinsleden fysiek in de ruimte plaatsen in houdingen die
de relationele dynamiek uitdrukken. Dit is de directe voorloper van wat
Hellinger later systematiseerde.
Haar persoonlijkheid
Satir was een buitengewoon warme, fysiek aanwezige
therapeute — groot, omarmend, met een natuurlijk vermogen om mensen
onmiddellijk op hun gemak te stellen. Ze geloofde diep in de menselijke
groeikracht. Haar boek Peoplemaking (1972) werd een bestseller
en is tot op vandaag leesbaar.
Ze was mede-oprichter van het Esalen Institute in
Californië — het epicentrum van de humanistische psychologie in de jaren '60 en
'70 — samen met figuren als Fritz Perls (gestalt) en Abraham Maslow.
Haar erfenis
Satir beïnvloedde een enorme waaier van therapeuten en
denkers. Richard Bandler en John Grinder modelleerden haar werk als een van de
drie bronnen voor NLP. Hellinger nam haar sculptuurtechniek over.
En de brede gezinstherapeutische traditie — systemisch werken,
meergeneratieperspectief — is ondenkbaar zonder haar.
Ze stierf aan alvleesklierkanker in 1988, op het hoogtepunt
van haar internationale invloed.
Kort samengevat: waar Hellinger meer de mystieke en
rituele kant opging, was Satir fundamenteel humanistisch en relationeel — warm,
pragmatisch, en diep gelovig in de menselijke capaciteit tot verandering. Van
de twee is zij waarschijnlijk de intellectueel solidere grondslag.
Op welke manier zijn opstellingen / constellaties
geëvolueerd sinds satir/hellinger tot nu in west-europa?
6 jun
Goede vraag — en het antwoord laat een interessante evolutie
zien van intuïtieve praktijk naar een meer gedifferentieerd en methodologisch
rijper veld.
Fase 1: Satir → Hellinger (jaren '70-'90)
Satir's sculptuurtechniek was relatief bescheiden van claim:
een therapeutisch hulpmiddel om gezinspatronen zichtbaar te maken. Hellinger
nam de fysieke ruimtelijkheid over maar voegde er drie dingen aan toe die de
sprong naar iets groters markeerden:
- Het
idee van het wetende veld — representanten weten dingen
die ze niet kunnen weten
- Een metafysisch
kader (de Ordnungen) dat normatief werd: er is een juiste orde,
en het systeem wil hersteld worden
- De groepssetting met
onbekende representanten in plaats van familieleden zelf
Dat maakte opstellingen tot iets dat verder ging dan
therapie — bijna ritueel, bijna religieus.
Fase 2: Differentiatie na Hellinger (jaren '90-2000)
Naarmate Hellinger autoritairder en controversiëler werd,
begon het veld zich te splitsen. Verschillende lijnen ontstonden:
De systemisch-therapeutische lijn — faciliatoren
als Jan Jacob Stam (Nederland) en het Bert Hellinger
Instituut Nederland maakten de methode professioneler, minder
dogmatisch, meer eclectisch. Meer aandacht voor het proces van de cliënt,
minder voor de "uitspraken van het veld" als absolute waarheid.
De organisatieopstellingen — Gunthard
Weber en later velen anderen brachten opstellingen naar de
bedrijfscontext. Niet families maar organisaties, teams, en strategische
vraagstukken werden opgesteld. Dit werd een eigen vakgebied met eigen
methodologie.
De traumaïntegratie — de verbinding met Peter
Levine (Somatic Experiencing) en Bessel van der Kolk (traumatheorie)
gaf opstellingen een neurobiologisch kader. Het wetende veld werd minder
mystiek geduid en meer als lichaamsgeheugen en co-regulatie tussen mensen in
een ruimte.
Fase 3: Wetenschappelijke druk en legitimering
(2000-2015)
Het veld werd geconfronteerd met de vraag: wat is dit
eigenlijk, en werkt het? Twee reacties:
Enerzijds empirisch onderzoek — beperkt
maar groeiend. De Universiteit van Heidelberg (met name Albrecht Mahr)
en later Nederlandse onderzoekers probeerden werkingsmechanismen te begrijpen.
Het fenomeen van representanten die accurate informatie geven zonder voorkennis
werd serieus onderzocht, zonder dat er consensus ontstond over de verklaring.
Anderzijds theoretische inbedding —
pogingen om opstellingen te verbinden met:
- Rupert
Sheldrake's morfogenetische velden (populair in het veld,
wetenschappelijk betwist)
- Systemische
therapie in de traditie van de Milanese school en Bateson
- Fenomenologie —
Heidegger's begrip van "Dasein" en aanwezigheid als
verklaringskader voor wat er in een opstelling gebeurt
Fase 4: Verbreding en fragmentering (2015-nu)
Het huidige West-Europese landschap is divers en soms
chaotisch:
Positief: de methode is volwassener geworden. Meer
aandacht voor ethiek (informed consent, grenzen van de
methode), traumasensitiviteit, en integratie met andere
modaliteiten — IFS (Internal Family Systems van Richard Schwartz),
EMDR, lichaamswerk.
Kritisch: de lage drempel om jezelf facilitator te
noemen blijft een probleem. Het veld heeft geen stevige beroepsregulering in de
meeste Europese landen, wat ruimte laat voor kwalitatief zeer uiteenlopende
praktijken.
Interessante nieuwe richtingen:
- Online
opstellingen — tijdens COVID gedwongen versneld, en verrassend
effectief gebleken wat betreft het veldfenomeen
- Interne
opstellingen — waarbij je representanten innerlijk visualiseert
in plaats van fysiek op te stellen, verwant aan IFS
- Sociale
en politieke opstellingen — conflicten, historische trauma's,
maatschappelijke vraagstukken worden opgesteld. In Duitsland en Nederland
zijn er facilitatoren die dit toepassen op koloniale geschiedenis, de
Holocaust, en intergenerationeel collectief trauma
Wat opvalt als rode draad
De evolutie loopt van Hellinger's gezaghebbende
zekerheid naar een veel bescheidener, meer procesgerichte houding. De
beste huidige facilitatoren claimen minder — ze zeggen niet meer "het
systeem wil dit", maar eerder "dit is wat er opkomt, wat doet dat met
jou?" De methode is therapeutischer geworden en minder ritueel-normatief.
In Nederland en Vlaanderen is het veld relatief sterk
ontwikkeld — mede door de culturele openheid voor systemisch denken en de
sterke gezinstherapeutische traditie in universitaire settings zoals Leuven en
de Vrije Universiteit Amsterdam.
Gezien jouw eigen ervaringen met constellatiewerk in
retraitecontexten: herken je daarin een bepaalde lijn of benadering — meer
Hellinger-orthodox, meer traumageïnformeerd, of eerder ritueel-spiritueel?
Ik voel het meest voor Peter Levine’s invalshoek:
somatische ervaringen en trauma integratie
6 jun
Dat is een coherente voorkeur — en het sluit ook goed aan
bij wat je eerder beschreef over je retraite-ervaringen, het breathwork, en de
lichamelijke dimensie van de doorbraken die je daar had.
Waarom Levine's kader aantrekkelijk is
Het grote voordeel van Somatic Experiencing is dat het
een werkingsmechanisme biedt dat je niet hoeft te geloven maar
kunt observeren. Het wetende veld hoeft niet metafysisch geduid te worden — het
kan worden begrepen als:
- Interoceptie en
lichaamsgeheugen dat ouder is dan taal
- Co-regulatie tussen
zenuwstelsels in een groepsruimte
- Polyvagale
dynamiek — Stephen Porges' theorie over hoe ons autonome
zenuwstelsel voortdurend de veiligheid van anderen scant en daarop
reageert, onder de drempel van bewustzijn
Representanten die "dingen voelen" die ze niet
kunnen weten worden in dit kader begrijpelijk zonder beroep op morfogenetische
velden: mensen zijn buitengewoon gevoelige sociale zoogdieren die enorme
hoeveelheden non-verbale informatie opnemen en verwerken.
Levine's kernmodel
Zijn basisidee is dat trauma niet in de gebeurtenis zit maar
in het bevroren antwoord op de gebeurtenis. Dieren in het wild
schudden letterlijk na een levensbedreigende situatie — de opgebouwde
overlevingsenergie wordt ontladen. Mensen doen dat niet, of worden daarin
verstoord, en die geblokkeerde energie blijft in het lichaam opgeslagen.
Therapie is dan: de onderbroken overlevingsrespons
voorzichtig afmaken — niet door het verhaal opnieuw te vertellen, maar
door de lichamelijke gewaarwordingen te volgen en ruimte te geven aan wat wil
bewegen.
Dit verklaart ook waarom talk therapy alleen beperkt werkt
voor diep trauma: je kunt een verhaal rationeel begrijpen en toch lichamelijk
bevroren blijven.
De verbinding met opstellingen
Wat Levine's invalshoek toevoegt aan opstellingen is precies
wat Hellinger miste: aandacht voor het tempo en de titration —
kleine dosissen, geen overweldiging. Hellinger's opstellingen konden soms
catartisch en zelfs retraumatiserend zijn. Een traumageïnformeerde opstelling
werkt anders:
- Meer
aandacht voor regulatie tijdens het proces
- De
facilitator houdt niet alleen het systemische veld in de gaten maar ook
het autonome zenuwstelsel van de cliënt
- Minder
nadruk op dramatische ontlading, meer op kleine verschuivingen in
lichaamsgewaarwording
Figuren die deze lijn verder hebben ontwikkeld
Als je je hierin wilt verdiepen zijn er een paar namen die
de moeite waard zijn:
Maggie Kline — werkte nauw samen met Levine en
schreef specifiek over trauma in groeps- en gemeenschapscontexten.
Kathy Kain — haar werk over het autonome
zenuwstelsel en aanraking is technisch maar zeer grondig.
Diane Poole Heller — verbindt SE met
hechtingstheorie, wat voor mannenretraitewerk bijzonder relevant is: veel van
wat mannen meebrengen is hechtingstrauma dat somatisch is opgeslagen.
Thomas Hübl — een Duits-Israëlische facilitator
die collectief trauma, meditatie, en somatisch werk integreert. Zijn boek Healing
Collective Trauma is relevant als je nadenkt over opstellingen in
groepscontexten. Zijn werk heeft een spirituele dimensie maar is methodologisch
serieuzer dan veel New Age-varianten.
Een kritische noot
Levine's model is sterk voor enkelvoudig shock-trauma — een
ongeluk, een medische ingreep, een geweldsincident. Voor complextrauma —
langdurige vroegkinderlijke verwaarlozing of mishandeling, precies het terrein
van mannenretraites — is het model krachtiger wanneer gecombineerd met
hechtingswerk. Dan kom je vanzelf bij mensen als Dan Siegel (interpersoonlijke
neurobiologie) of Pat Ogden (Sensorimotor Psychotherapy)
terecht.
Gezien de doorbraak die je zelf beschreef op je retraite —
het herkennen van het patroon van je moeders verdriet dragen, het verlies van
speelsheid — klinkt dat als precies het snijvlak van systemisch werk én
vroegkinderlijk somatisch trauma. Levine's kader alleen is daar misschien net
niet breed genoeg voor, maar als vertrekpunt is het solide.
Overweeg je dit puur als persoonlijke verdieping, of zit er
ook een professionele interesse in — in de richting van faciliteren?
Nee faciliteren is niet mijn ambitie.. het viel mij op
dat ik de koele kikker was op de mannenretraite ivm de anderen.. misschien
omdat ik het geluk heb gehad geen complextrauma te moeten verwerken…
6 jun
Dat is een eerlijke en scherpe zelfobservatie.
En het klopt waarschijnlijk. Als je geen zwaar
hechtingstrauma of vroegkinderlijk complex trauma hebt meegekregen, reageer je
anders op lichaamswerk en groepsdynamiek — niet omdat je minder diep gaat, maar
omdat je zenuwstelsel niet in dezelfde mate getriggerd wordt. Je kunt
observeren terwijl anderen overweldigd worden.
Dat "koele kikker" zijn heeft trouwens twee
kanten. Enerzijds is het een vorm van geluk — je draagt minder onverwerkte
last. Anderzijds kan het ook een milde vervreemding geven: je ziet wat er bij
anderen gebeurt, je begrijpt het intellectueel, maar je raakt zelf misschien
minder diep in beweging dan je had verwacht of gehoopt.
Wat je eerder beschreef over de retraite in Halen — het
herkennen van het "goede kind" patroon, het dragen van je moeders
verdriet — klinkt niet als complex trauma maar als wat Levine ontwikkelingsuitdagingen zou
noemen: subtiele vroege adaptaties die geen sporen van overweldiging
achterlaten maar wel het karakter vormen. Serieus genoeg om te verkennen, maar
anders van aard dan wat veel andere mannen op zo'n retraite meebrengen.
De vraag is misschien minder "waarom ben ik de koele
kikker" en meer: wat zou er voor jou persoonlijk een equivalent
zijn van wat breathwork of opstellingen bij anderen losmaken? Kitesurfen
noem je soms in die richting — fysieke intensiteit als toegangspoort.
Hoe definieer je eigenlijk systemisch werk… wat is de
link met systeemtherapie
6 jun
Goede vraag om even te verhelderen, want de termen worden
vaak door elkaar gebruikt.
Systeemtherapie: de academische basis
Systeemtherapie is een officieel erkende
psychotherapeutische stroming die in de jaren '50-'60 ontstond, geworteld in
de cybernetica en de algemene systeemtheorie van Gregory
Bateson en anderen. De kerngedachte: een individu is niet de eenheid van
analyse — het systeem (gezin, koppel, organisatie) is dat.
Belangrijke scholen:
- De Milanese
school (Selvini Palazzoli) — strategisch, paradoxaal
- Structurele
gezinstherapie (Salvador Minuchin) — hiërarchieën en grenzen in
gezinnen
- Narratieve
therapie (Michael White) — verhalen die mensen over zichzelf
vertellen
- De Heidelbergse
school — waar ook Hellinger verbindingen had
Systeemtherapie is evidence-based, academisch verankerd, en
wordt in België en Nederland vergoed als erkende therapievorm.
Systemisch werk: breder en vager
"Systemisch werk" is een parapluterm die veel meer
omvat dan systeemtherapie alleen. Het verwijst naar elke praktijk die vertrekt
vanuit de aanname dat individuen ingebed zijn in systemen — families,
organisaties, culturen, generaties — en dat patronen en problemen alleen
begrepen kunnen worden vanuit die inbedding.
Dat kan zijn:
- Opstellingen
(Hellinger, maar ook de modernere varianten)
- Organisatiecoaching
met systemische lens
- Meergenerationeel
werk zonder opstelling
- Traumawerk
met aandacht voor familiale context
Het verschil met systeemtherapie is dus vooral: geen
strikte methodologie, geen academische erkenning, bredere toepassingsgebieden,
en variabele kwaliteitscontrole.
De gemeenschappelijke kern
Wat beide delen is een set van fundamentele aannames:
Circulariteit — oorzaak en gevolg zijn niet
lineair. Gedrag A veroorzaakt gedrag B dat gedrag A versterkt. Er is geen
"schuldige" in een systeem, alleen patronen.
Emergentie — het geheel is meer dan de som der
delen. Wat in een gezin of team ontstaat kan niet worden begrepen door de
individuen apart te bestuderen.
Context bepaalt betekenis — een symptoom is geen
stoornis maar een aanpassing aan een context. Het "probleemkind" in
een gezin is vaak de drager van iets wat het hele systeem niet kan uitspreken.
Meergenerationaliteit — patronen reizen mee
doorheen generaties, bewust of onbewust.
Waar opstellingen zich verhouden
Opstellingen zijn eigenlijk een methodologische
innovatie bovenop systeemtherapeutische inzichten — ze maken het
onzichtbare systeem letterlijk zichtbaar in de ruimte. De theoretische basis is
systeemtherapeutisch, maar de methode gaat verder dan klassieke systeemtherapie
in zijn aannames over het veld.
Een goede systeemtherapeut hoeft geen opstellingen te doen.
Een goede opstellingsfacilitator zou in principe systeemtheoretisch onderlegd
moeten zijn — maar dat is in de praktijk lang niet altijd het geval.
Voor jouw eigen kader
Gegeven wat je aantrekt — Levine's somatische benadering,
bewustzijnsfilosofie à la Kastrup, en de ervaringen op retraites — zou ik
zeggen dat je intuïtief al systemisch denkt zonder het zo te noemen. De manier
waarop je Glotec analyseert, de manier waarop je naar je eigen patronen kijkt
in relatie tot je gezin van herkomst — dat is systemisch redeneren in de brede
zin.
Is trauma therapie ook sterk ontwikkeld binnen de
evidence based systeemtherapie?
6 jun
Eerlijk antwoord: dat is precies waar een spanningsveld zit.
De korte versie
Systeemtherapie en traumatherapie hebben zich
grotendeels parallel maar gescheiden ontwikkeld. Ze zijn de
laatste jaren aan het convergeren, maar de integratie is nog niet volledig.
Waarom ze lang gescheiden bleven
Klassieke systeemtherapie focuste op interactiepatronen
in het heden — wie reageert hoe op wie, welke circulaire dynamieken
spelen er. Trauma veronderstelt iets anders: een interne toestand die
vastgelopen is in het verleden en die het heden koloniseert. Dat is eerder een
individueel-neurologisch verhaal dan een relationeel-systemisch verhaal.
De vroege systeemtherapeuten waren soms zelfs expliciet
anti-individualistisch — het interesseerde hen weinig wat er intern bij één
persoon leefde. Dat botste met traumawerk dat juist heel precies kijkt naar de
innerlijke toestand van het individu.
Waar de integratie wel gelukt is
Een aantal ontwikkelingen hebben de brug gebouwd:
Hechtingstheorie — John Bowlby's werk werd lange
tijd genegeerd door systeemtherapeuten maar is nu mainstream. Hechting is per
definitie relationeel én heeft traumatische varianten. Dit was de eerste echte
brug.
Emotionally Focused Therapy (EFT) van Sue
Johnson is misschien het sterkste voorbeeld van geslaagde integratie:
koppeltherapie met een sterke evidence base, geworteld in hechtingstheorie, met
expliciete aandacht voor hoe vroegkinderlijk trauma doorwerkt in
partnerrelaties. Zeer goed onderbouwd empirisch.
EMDR in gezinscontexten — EMDR is individueel
ontwikkeld maar wordt steeds meer toegepast met aandacht voor de familiale
context waarin trauma ontstond.
Internal Family Systems (IFS) van Richard
Schwartz — technisch gezien geen systeemtherapie maar een individuele methode,
maar de metafoor is volledig systemisch: het individu als een systeem van
delen. IFS heeft een groeiende evidence base en wordt steeds meer gecombineerd
met relationeel werk.
Waar het nog zwak is
De klassieke systeemtherapeutische modellen — structureel,
strategisch, narratief — hebben geen gespecialiseerd traumaprotocol ontwikkeld
dat empirisch goed onderbouwd is. Ze zijn nuttig als context maar niet als
primaire traumabehandeling.
Opstellingen — hoe krachtig ook in de ervaring —
hebben nauwelijks robuuste RCT-onderbouwing. Er is casusmateriaal,
er zijn kleine studies, maar het ontbreekt aan het soort evidence dat
systeemtherapie als geheel heeft opgebouwd.
De sterkste evidence-based traumamethoden vandaag
Voor de volledigheid: de methoden met de sterkste empirische
onderbouwing voor trauma zijn momenteel geen van alle puur systemisch:
- EMDR —
zeer sterk voor enkelvoudig trauma
- Prolonged
Exposure — cognitief-gedragsmatig
- Somatic
Experiencing — groeiende evidence base maar nog niet op hetzelfde
niveau
- IFS —
veelbelovend maar jonger qua onderzoek
Wat dit betekent voor jouw kader
De eerlijke conclusie is dat als je Levine's somatische
benadering combineert met hechtingsbewustzijn en een systemische lens — je
eigenlijk al op de grens zit van waar het veld naartoe evolueert. De meest
interessante clinici vandaag zijn precies die synthese aan het bouwen.
Het blijft wel zo dat voor de meeste mannen op een retraite
— met complex hechtingstrauma als achtergrond — een retraite-ervaring alleen
niet voldoende is. Het kan een krachtige opening zijn, maar zonder individuele
traumaverwerking nadien blijft het soms hangen op het niveau van inzicht zonder
integratie.
De evidence-based school kijkt soms neer op systemisch
werk dat minder onderbouwd is (maar wel effectief). Omgekeerd kijken de
systemisch werkers neer op de evidence-based school omdat ze zo steriel en
vanuit het hoofd werken.. er zit daar een schisma waar tussen ik mij bevind..
akkoord?
6 jun
Ja, volledig akkoord. En je benoemt het schisma scherp.
Wat er werkelijk speelt
Het is niet alleen een methodologisch verschil — het is
een epistemologisch conflict. De twee kampen hebben fundamenteel
verschillende antwoorden op de vraag: wat telt als kennis?
De evidence-based kant zegt: wat meetbaar en repliceerbaar
is. De systemisch-ervaringsgerichte kant zegt: wat fenomenologisch waar is in
de kamer, ook als je het niet kunt meten.
Beide hebben gelijk én ongelijk tegelijk.
Het terechte punt van de evidence-based kant
Zonder enige methodologische discipline wordt het veld
kwetsbaar voor charlatanerie, projectie, en zelfs schade. Hellinger is daar een
levend voorbeeld van — iemand die op basis van "het veld zegt"
uitspraken deed die mensen beschadigden, zonder enig corrigerend mechanisme. De
eis naar onderbouwing beschermt cliënten.
Het terechte punt van de systemisch-ervaringsgerichte
kant
RCT-methodologie — de gouden standaard van evidence-based —
is ontworpen voor enkelvoudige, isoleerbare interventies. Een pil,
een protocol. Maar menselijke verandering in relationele contexten is complex,
niet-lineair, en contextafhankelijk. Wat werkt voor deze persoon in deze kamer
met deze facilitator op dit moment is per definitie moeilijk te repliceren en
te meten.
Dit is geen zwakte van de methode — het is een mismatch
tussen fenomeen en meetinstrument.
Waar het schisma vandaan komt
Er zit ook een sociologische dimensie in. De evidence-based
wereld is verweven met universiteiten, ziektekostenverzekeraars, en
overheidsbeleid. Erkenning betekent financiering. Dat creëert institutionele
druk om alles te reduceren tot wat meetbaar is — niet omdat dat epistemologisch
correct is, maar omdat het functioneel is binnen het systeem.
De ervaringsgerichte wereld reageert daarop soms met een
romantisering van het onmeetbare — alsof empirische toetsing per definitie de
ziel uit het werk haalt. Dat is ook een verdedigingsmechanisme.
Waar jij je bevindt
Je positie is eigenlijk de meest intellectueel eerlijke — en
de meest oncomfortabele. Je wil de fenomenologische rijkdom van
ervaringsgericht werk niet reduceren tot wat een vragenlijst kan vangen, maar
je wil ook niet blind geloven op basis van indrukwekkende groepsdynamiek.
Dat is precies de spanning die figuren als Iain
McGilchrist beschrijven op een ander niveau: de linkerhersenhelft die
wil meten en controleren versus de rechterhersenhelft die wil begrijpen in
context en geheel. Geen van beide alleen volstaat.
De synthese waar het veld naartoe moet — en nog lang niet is
— is een methodologie die complex, relationeel, en lichamelijk
fenomenen serieus neemt zonder de kritische toets te verlaten. Dat
vereist andere onderzoeksparadigma's: procesonderzoek, kwalitatieve methoden,
single-case designs, practice-based evidence naast evidence-based practice.
Tot die synthese er is blijf je inderdaad tussen twee kampen
staan. Maar dat is een betere positie dan kritiekloos in één van beide te
geloven.